Na het dekken laten we de natuur zijn werk doen en hopen dat een van de zaadcellen de eicel binnendringt zodat er een vruchtje ontstaat die later zal uitgroeien tot een veulen. Vaak insemineert men 2 tot 3 keer per hengstige periode van de merrie. Dit insemineren gebeurt dan om de dag (een spermacel kan 2 dagen blijven leven in de merrie). Dit wordt zo gedaan omdat er soms twijfel is of de eisprong al heeft plaats gevonden of niet. Het is echter gevaarlijk om een merrie die al bevrucht is nog verder te insemineren, want dit nieuwe sperma in de baarmoeder kan het vruchtje opnieuw vernietigen. Zoals je wellicht begrijpt, moet de merrie uiterst nauwkeurig opgevolgd worden om op het juiste moment te insemineren.

19 dagen na de laatste inseminatie neemt men vaak opnieuw een echografie. Wanneer de merrie drachtig is ziet men dan een vruchtblaasje van ongeveer 19 mm in de baarmoeder van het paard.
Op dit moment is het ook mogelijk om een tweelingdracht te ontdekken. Meestal wacht men dan af omdat een van beide vruchtblaasje vaak in een vroeg stadium afsterft. Wanneer op de 34ste dag beide vruchtblaasjes nog aanwezig zijn knijpt men een van de vruchtblaasjes stuk of onderbreekt men de dracht door de merrie opnieuw hengstig te spuiten. Men verwijdert een vruchtblaasje omdat tweelingdracht bij paarden meestal slecht afloopt. Het is echter niet mogelijk om een tweelingdracht in een vroeg stadium volledig uit te sluiten.

Wanneer alles normaal verloopt neemt men opnieuw een echografie van de merrie wanneer ze 25 dagen ver is. Dan ziet men reeds het hartje kloppen op de echo. Op deze manier verzekert men er zich van dat het vruchtje leeft.
Na 35 dagen wordt vaak nog eens een drachtigheidsonderzoek met de hand via het rectum uitgevoerd. Het is aangewezen om de merrie opnieuw te laten onderzoeken op 2 maanden een half.

Bij 10 tot 15% van de merries die na een onderzoek op 19 dagen drachtig bleken, treed vroeg embryonale sterfte op. Wanneer het vruchtje na 2 en een halve maand afsterft, spreekt men van abortus.
Deze abortus kan veroorzaakt worden door het virus rhinopneumonie. Dit is een ziekte die merries kunnen oplopen wanneer ze in contact komen met een paard dat de ziekte doormaakt. Vooral jonge paarden zijn hier gevoelig voor. Tijdens de infectie treedt hoesten op, enkele maanden na de ziekte aborteert de merrie of, er wordt een niet levensvatbaar veulen geboren. Men kan de merrie inenten tegen rhino, maar deze inenting is niet 100% sluitend. De inentingen moeten gegeven worden tijdens de 3e, 5e, 7e en 9e maand van de dracht.

Terug naar overzicht